23-05-08

Zoeken en zweven.

Mabel had tijdens haar eerste vakantie per sms laten verstaan dat ze aan een meer verbleef, kwakende kikkers haar 's nachts wakker hielden en werd gewekt door hoefgetrappel. Ze sprak ook over een wandeling die ze had gemaakt op een GR pad naar Carcassonne. Ze is geen ervaren wandelaar, dat kamp kan dus ten hoogste op een afstand van 30 km liggen van hier. Daarbij verondersteld dat iemand haar heeft teruggebracht met een auto. In La Montagne Noire ten noorden van Carcassonne zijn een aantal stuwmeren. Het dichtstbij zijnde ligt op ongeveer 20 km afstand. Volgens de folders is daar turfgrond, dus vochtig met kikkers en er zijn GR routes.  

Het is fris en winderig wanneer ik ‘s ochtends noordwaarts vertrek met mijn stomende stalen schimmel. De weg slingert door de wijngaarden waar borden uitnodigen om de AOC Minervois te komen proeven op het domein van de producent. In de eeuwenoude dorpen vliegt de geur van verse croissants en koffie me bij flarden in het gelaat. Het kleine artificiële meer van mijn bestemming ligt midden in een heuvelend landschap tussen de weiden en bossen. De afwezigheid van grote verkeersaders in de nabijheid maakt dat stilte de grootste attractie is van dit afgelegen gebied. Vanuit een bepaald perspectief is het massief van de Pyreneeën dat honderd kilometer verder gelegen is tussen de bomen te ontwaren. Ik rij langs het water op het bochtig weggetje dat soms de oever volgt en dan weer landinwaarts trekt. Elke meter van het gebied wordt afgezocht naar een eventuele aanwezigheid van gebouwen die groot genoeg zijn om infrastuctuur te bieden voor een kleine camping. Hier en daar ontwaar ik een alleenstaande hoeve en er zijn twee dorpjes die niet ver uit elkaar liggen. Op een aantal bomen staat het rood-witte symbool geschilderd dat een GR pad aanduidt. De hele regio lijkt uitgestorven met uitzondering van één bizar figuur op het smalle zandstrand. Een vrouw van middelbare leeftijd schrijdt blootsvoets aan de waterlijn. Met de ogen gesloten, het hoofd in de nek en de handpalmen tegen elkaar voor zich houdend, lijkt ze in trance te verkeren. Het lang krullend fel-rode haar en het lange oranje halftransparante kleed, waarin haar magere lichaam zich aftekent, worden door de strakke wind helemaal opzij geblazen. Het gewapper van de stof maakt dat het driehoekig silhouet eerder fladdert dan stapt. Deze scène lijkt me meer thuis te horen in Kathmandu in de jaren '70 dan aan een Zuid Frans stuwmeer.

Na tweemaal het meer te zijn rond gereden en een tiental keer te hebben halt gehouden om de oevers te bestuderen, heb ik nog niets gezien dat lijkt op een camping. In het eerste dorp dat op mijn pad ligt de zoek ik het gemeentehuis op.

De burgemeester is er niet maar de bediende laat me verstaan dat ik naar zijn woning kan gaan. Het is bijna middag, hij gaat steeds eten bij zijn moeder vertrouwt de behulpzame dame me toe. Ze komt mee naar buiten en wijst een weggetje aan dat naar een beboste heuvel leidt. Het is het straatje waar ik net uit kom.

- Daar neemt u de eerste links.

Na ongeveer twee kilometer rij ik een onverhard pad op dat door een dennenbos leidt. Vijfhonderd meter verder op het einde van het bos kom ik aan een verwaarloosde tweewoonst. Verroeste landbouwwerktuigen staan her en der verspreid en een half gesloopte Citroën traction doet dienst als kippenhok. Achter de woning ligt een weide die tot aan het meer strekt. Een bazige oude vrouw met een voorschoot, helemaal in het zwart gekleed, staat met handen in de heupen op uitkijk. Ik vraag of monsieur Le Maire hier woont.

-  J'attends mon fils. Antwoordt ze nors zonder haar blik van het pad af te wenden. Wat later komt een Renault 4 bestelwagen aangehobbeld over het bospaadje.

De man die uitstapt, een joviale opgezwollen en onverzorgd uitziende vijftiger met een dikke paarse neus, kijkt me verwonderd aan.

Ik vraag of ik hem eventjes kan spreken.

- Bien-sûr venez. De vrouw laat verstaan dat de kip aan het aanbranden is. Hij wuift met een handgebaar de opmerking weg. - Je n'ai pas faim.

De burgemeester leidt me binnen in een donkere rommelige woonkamer. De tafel met een rood-wit ruitjes toile-ciré is onafgeruimd, alle gerief van de laatste maaltijd staat er nog op. Aan het fornuis naast het raam kleven de etensresten van vermoedelijk het hele jaar, het aanrecht is bedolven onder los opgestapelde vuile vaat. Hij nodigt mij uit te gaan zitten.

- Pastis? Terwijl hij knikt met vragende blik. Zonder op een antwoord te wachten haalt hij een halfvolle fles en twee kleine glazen uit een kast en zet het voor me neer. Onder de kraan vult hij een karaf met water. Hij schenkt een bodempje Ricard in de glazen en schuift de karaf water naar me toe. Ik voeg wat water toe aan de gele olieachtige transparante drank die opaak melkachtig kleurt. Hij giet zijn glas vol tot de rand, steekt het eventjes in de lucht en neemt een grote slok.

- Je vous écoute, terwijl hij zijn mond afveegt met de rug van zijn hand.  

Ik vraag of hij weet heeft van een vakantiekamp in de streek dat uitgebaat wordt door een Belg.

Hij schudt nadenkend lang zijn hoofd, star voor zich uitkijkend, de mondhoeken licht naar beneden gekruld. Opeens gaat er een licht op, hij neemt nog een slok.

- Ja, hier vlak naast is een vakantiekamp, Laudelà, uitgebaat door een Belg. Het ligt eigenlijk op het grondgebied van het andere dorp.

11:31 Gepost door Guillaume de Monts in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.